Present Simple

De present simple is de meest voorkomende tijd in het Engels om over het heden te praten. Hieronder heb je een volledig overzicht van wat deze tijd juist is, wanneer je hem gebruikt en hoe je hem vormt.

Present simple (of simple present) uitleg

De present simple (of simple present) is een belangrijk element van de Engelse grammatica en één van de belangrijkste tijden. Deze tijd gebruikt men wanneer wil praten over zaken die gebeuren in het heden; in de tegenwoordige tijd. Hieronder vind je een overzicht in welke context men deze tijd gebruikt:

Uitdrukken van een tijdloze staat, hoe je je op dat moment voelt

  • I think my brother is happy.

Tijdloze waarheden

  • The sun rises in the east.

Gewoontes in het heden

  • I walk to school every day.

Voor tijdschema’s en uurroosters (ook in de toekomst)

  • My train leaves at 12 pm.

Korte acties die op elkaar volgen

  • He aims, shoots and kills the rat.

Instructies

  • Take your stuff and leave the room!
resent Simple - Gebruik

Vorm van de present simple

Present simple affirmatief

De present simple (of simple present) is de makkelijkste tijd omdat je deze vormt door de infinitief te nemen zonder <to>. Er is maar één uitzondering op deze regel en dat is bij de derde persoon enkelvoud. Wanneer je te maken hebt met een derde persoon enkelvoud voeg je <s> toe aan de infinitief.

Ik loopI run
Jij looptYou run
Hij/zij/het looptHe/she/it runs
Wij lopenWe run
Jullie lopenYou run
Zij lopenThey run

Wanneer je een werkwoord hebt dat eindigt op een sisklank voeg je <es> toe aan de infinitief bij de derde persoon enkelvoud.

  • He watches.

Wanneer <y> voorkomt na een medeklinker aan het einde van een infinitief verandert de <y> in <ies> bij de derde persoon enkelvoud.

  • He carries.
Present Simple - Vorm

Present simple negatief

Als je deze tijd negatief wil maken gebruik je het hulpwerkwoord ‘to do’ + ‘not’ gevolgd door de infinitief van het hoodfwerkwoord.

Ik loop nietI do not run
Jij loopt nietYou do not run
Hij/zij/het loopt nietHe/she/it does not run
Wij lopen nietWe do not run
Jullie lopen nietYou do not run
Zij lopen nietThey do not run

Wanneer je de negatieve vorm van ‘to be’ wil uitdrukken vervoeg je ‘to be’ en dit wordt gevolgd door ‘not’.

Ik ben nietI am not
Jij bent nietYou are not
Hij/zij/het is nietHe/she/it is not
Wij zijn nietWe are not
Jullie zijn nietYou are not
Zij zijn nietThey are not

Present simple als vraag

Als je een vraagzin wil uitdrukken gebruik je het hulpwerkwoord ‘to do’ gevolgd door het onderwerp van de zin en de infinitief van het hoofdwerkwoord. Als je een vraag stelt en je vraagt naar het onderwerp gebruik je geen hulpwerkwoord.

Werk ik?Do I work?
Werk jij?Do you work?
Werkt hij/zij/het?Does he/she/it work?
Werken wij?Do we work?
Werken jullie?Do you work?
Werken zij?Do they work?

Wanneer je een vraagzin wil formuleren met het werkwoord ‘to be’ plaats je het vervoegde werkwoord voor het onderwerp.

Ben ik?Am I?
Ben jij?Are you?
Is hij/zij/het?Is he/she/it?
Zijn wij?Are we?
Zijn jullie?Are you?
Zijn zij?Are they?

Signaalwoorden die aantonen dat het om een present simple gaat

  • Always, every day, often, usually, never, sometimes

Voorbeelden

PositiefNegatiefVraagzinnen
I work
He sings
I am
I don’t work
He doesn’t sing
I am not
Do I work?
Does he sing?
Am I?
Note: Als je de present simple negatief wil maken, gebruik je het hulpwerkwoord ‘to do’ + not gevolgd door de infinitief van het hoofdwerkwoord (buiten bij het werkwoord ‘to be’). Als je een vraagzin wil maken gebruik je ‘to do’ + onderwerp + infinitief van het hoofdwerkwoord (buiten bij het werkwoord ‘to be’).

Meer oefeningen over de present simple

Gerelateerde artikels